Een “nattig ding”

Vandaag gaat het in de cursus Creatief Denken (5-7 jr) over het thema “water”. Ik barst van de vragen: “Hoe zou je water omschrijven?”
“Wat kun je allemaal met water doen? Laat dat eens zien (uitbeelden).”
“En als water kon praten en een wens zou mogen doen, wat zou het dan zeggen tegen ons en wat zou die wens dan kunnen zijn?”
“Wat zou jij doen met jouw laatste emmer water en waarom?”
“Wat vind je van water? Wat hebben wij er eigenlijk aan?”
“Kan water behalve fijn, leuk en handig ook verdrietig makend of lelijk zijn en hoezo dan?”

De kinderen hebben overal een origineel antwoord op.

nattigding
Water, zo begrijp ik, is iets dat uit de kraan komt. “Maar ook soms uit de wolken!”
Het is een “nattig ding” wat je kan drinken en dat vanuit de wolken weer naar de zee gaat in de vorm van regen. Als ik vraag hoe het water in de wolken komt wordt er even diep nagedacht en vervolgens geconcludeerd “door een onzichtbare rioolbuis.” “Of via de bliksem!” is ook een idee dat ik hoor.

Met water kun je een hoop doen wordt mij verteld en ook getoond. Je kan je er mee wassen, je kan het uit plassen, er in zwemmen, er een watergevecht mee houden, het gebruiken om branden mee te blussen en om te drinken.
Hoe het verder moet als al het water op zou zijn is niet iets waar ik me direct zorgen over hoef te maken verneem ik tot mijn geruststelling. “Dan is er altijd nog appelsap en limonadesiroop!”
Plas drinken kan ook zegt iemand met een uitgestreken gezicht.
“Dat deed ik toen ik klein was, toen dronk ik een keer uit mijn potje!” roept er een.
Het lachsalvo dat vervolgens losbarst duurt minuten lang. Lachen, gieren, brullen; tranen van pret rollen over rode kinderwangen.

En wat ze zouden doen met hun allerlaatste emmertje water? De een zou zijn lievelingsplant water gaan geven, de ander er “heel zuinig mee zijn” zodat je nog heel lang, elke dag, een mini watergevecht kan houden.
“En als al het water helemaal op zou zijn dames en heren?”
Daarover is men het snel eens. Dan wacht ons een “verlepte natuur”, wc’s die nooit meer doorgetrokken kunnen worden (oef, wat een stank!), een “zweterig leven”, nooit meer naar zwemles hoeven (“joepie!” vindt iemand) en… heel veel dorst!

Water, zo concluderen we, is toch wel erg fijn en handig.

We besluiten het te koesteren.